Den Haag: Voedingscentrum. Publicatiedatum: 9 april 2026
De randvoorwaarden voor gezondheid waaraan een referentievoeding moet voldoen heeft het Voedingscentrum opgesteld per doelgroep. Er zijn randvoorwaarden die betrekking hebben op specifieke productgroepen en randvoorwaarden die betrekking hebben op de minimale en/of maximale hoeveelheden van voedingstoffen en energie.
De randvoorwaarden zorgen ervoor dat de referentievoedingen voldoen aan de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad en voldoende voedingstoffen leveren. Ook zorgen de randvoorwaarden ervoor dat de referentievoedingen niet meer voedingstoffen leveren dan goed voor je is en niet te veel van de ongunstige voedingstoffen (verzadigd vet, zout en suiker) bevatten.
Randvoorwaarden voor specifieke voedingsmiddelengroepen
De overwegingen die een rol hebben gespeeld bij het opstellen van randvoorwaarden voor specifieke productgroepen zijn:
- Het advies van de Gezondheidsraad. [1, 2]Hiervoor hebben we minimale niveaus of maximale niveaus voor bepaalde productgroepen geformuleerd.
- Naast randvoorwaarden voor productgroepen op basis van gezondheid zijn er ook randvoorwaarden voor productgroepen op basis van haalbaarheid gesteld. Dit is gedaan door het zetten van maximumniveaus voor bepaalde productgroepen. Hier wordt de huidige consumptie meegewogen. Voor bepaalde productgroepen is dit afhankelijk van de leeftijd. Zie hiervoor de pagina databronnen.
Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad
De nieuwe richtlijnen uit 2025 over de eiwitbronnen en de overige richtlijnen uit 2015 zijn als randvoorwaarde in het model meegenomen.[1,2] Op basis van de Richtlijnen goede voeding 2015 en 2025 zijn minimale en maximale niveaus opgesteld. We geven eerst het advies van de Gezondheidsraad, en daarna onze gestelde randvoorwaarde.
- 250 gram peulvruchten per week. We hebben een minimum van 250 gram peulvruchten als randvoorwaarde gesteld.
- 15-30 gram ongezouten noten per dag. We hebbende range als minimum en maximum randvoorwaarde gesteld.
- Enkele porties zuivel per dag, met variatie tussen de soorten. Onder enkele porties zuivel verstaan wij 2 of meer porties. Dat hebben we als randvoorwaarde gesteld. Vanwege het advies om te variëren tussen de verschillende soorten zuivel is onderscheid gemaakt in kaas, vloeibare zuivel en dik vloeibare zuivel.
- 100 gram duurzame vis per week, bij voorkeur een vette vissoort. We hebben 100 gram vis als randvoorwaarde gesteld. Voor vis is de verhouding 3:1 genomen voor vette ten opzichte van magere vis om uiting te geven aan de richtlijn om bij voorkeur te kiezen voor een vette vissoort. Voor zwangere is er gerekend met 200 gram duurzame vis per week, waarvan 1 keer per week vette vis en 1 keer per week magere vis, volgens de aanbevelingen van de Gezondheidsraad. [3]
- Niet meer dan 200 gram rood vlees per week. We hebben een maximum van 200 gram rood vlees als randvoorwaarde gesteld.
- Zo min mogelijk bewerkt (rood en wit) vlees. We hebben de randvoorwaarde voor bewerkt vlees op 0 gezet.
- Dagelijks ten minste 200 gram groente en ten minste 200 gram fruit. Deze minimale hoeveelheden hebben wij als randvoorwaarde gesteld.
- Dagelijks ten minste 90 gram bruinbrood, volkorenbrood of andere volkorenproducten. We hebben een minimum van 90 gram volkoren als randvoorwaarde gesteld.
- Volkorenproducten in plaats van geraffineerde graanproducten. Het vezelcriterium voor brood en graanproducten zorgt ervoor dat alleen producten met voldoende vezel in het model zijn meegenomen.
- Zachte margarine, vloeibare bak- en braadvet en plantaardige oliën in plaats van boter, harde margarine en bak- en braadvetten. De criteria voor verzadigd vet en transvet zorgen ervoor dat de producten uit de productgroep oliën en vetten zo ingedeeld zijn dat alleen producten zoals bedoeld in de richtlijn in het model zijn meegenomen.
- Gefilterde in plaats van ongefilterde koffie. Er kon in de beschikbare data geen onderscheid gemaakt worden in gefilterde en ongefilterde koffie. Dit nemen we mee in de adviezen naar consumenten toe.
- Dagelijks 3 koppen thee. De randvoorwaarde hebben we op 3 koppen thee gesteld. Daarbij zijn we uitgegaan van een hoeveelheid van 125 milliliter per kop.[4]
- Zo min mogelijk suikerhoudende dranken. De randvoorwaarde op gezoete zuiveldranken is op 0 gesteld.
- Geen alcohol of in ieder geval niet meer dan 1 glas per dag. De randvoorwaarde op alcoholhoudende dranken hebben we op 0 gesteld.
- Maximaal 6 gram keukenzout per dag. Maximaal 2.400 milligram natrium (6 gram zout) hebben we als randvoorwaarde gesteld bij de voedingstoffen. Toegevoegd zout is niet meegenomen.
De Gezondheidsraad heeft geen richtlijn opgesteld voor eieren. Wel geeft de Gezondheidsraad aan dat eieren kunnen passen binnen een gezond en duurzaam voedingspatroon waarbij de mate waarin afhangt van de invulling van de rest van het voedingspatroon. [2] Hierbij merkt zij op dat het niet wenselijk is als de huidige gemiddelde consumptie van cholesterolrijke producten stijgt. Om deze reden is een randvoorwaarde voor cholesterol gezet bij voedingstoffen op maximaal de mediane consumptie van cholesterol. [5] Deze mediane consumptie is doelgroepafhankelijk.
De Gezondheidsraad heeft ook geen richtlijn opgesteld voor plantaardige vlees- en zuivelalternatieven. Ook deze kunnen passen binnen een gezond en duurzaam voedingspatroon waarbij de mate waarin afhangt van de invulling van de rest van het voedingspatroon.[2] Voor vleesalternatieven geeft de Gezondheidsraad aan dat de consumptie van peulvruchten, noten en volkorengranen de voorkeur heeft. Kant-en-klare vleesvervangers zijn daarom niet meegenomen in de modelberekeningen. Wel zullen wij consumenten adviseren dat deze producten af en toe gekozen kunnen worden, ter vervanging van vlees of ter vervanging van een portie peulvruchten in de eetvoorkeuren waar meer dan 250 gram peulvruchten geadviseerd wordt.
Verrijkte zuivelalternatieven zijn vanwege duurzaamheidsoverwegingen meegenomen in aanvulling op de enkele porties zuivel. Dit is bij alle eetvoorkeuren gedaan. Er is in dit geval geen minimum randvoorwaarde gesteld op zuivelalternatieven. Dit betekent dat het optimalisatiemodel de keuze had om zuivelalternatieven mee te nemen in de optimalisatie-oplossing. De criteria voor zuivelalternatieven zorgen ervoor dat alleen verrijkte zuivelvervangers meegenomen zijn in de modelering.
In de eetpatronen met vlees is besloten om een minimum hoeveelheid rood en wit vlees in de randvoorwaarden toe te voegen, ondanks dat de Gezondheidsraad enkel een maximum op rood vlees stelt. Dit is gedaan, omdat uit het proefdraaien met het optimalisatiemodel bleek dat of totaal vlees en/of rood vlees zonder het stellen van een minimum op 0 uitkwam in de optimalisatieresultaten. In het kader van aansluiten bij de consument vonden wij dit geen wenselijke uitkomst. Vandaar dat er bij de eetvoorkeuren met vlees voor gekozen is om zowel minimaal 100 gram onbereid rood als wit vlees als randvoorwaarde mee te nemen. We hebben hiervoor gekozen omdat deze portie overeenkomt met de huidige adviezen.
Een aantal van de referentievoedingen voldoen niet aan één of meer Richtlijnen goede voeding. Dit zijn de eetvoorkeuren zonder vis en zonder zuivel. Op de resultaatpagina’s gaan we in op de gevolgen hiervan en het handelingsperspectief dat we consumenten meegeven.
Vertaalslag Richtlijnen goede voeding naar kinderen
De Richtlijnen goede voeding 2015 en 2025 hebben betrekking op volwassenen.[1, 2] Gezien de even hoge of zelfs hogere energiebehoefte van jongeren vanaf 10 jaar hebben we de kwantitatieve richtlijnen uit de Richtlijnen goede voeding vanaf die leeftijd meegenomen als randvoorwaarde.[6]
Jongere kinderen hebben een lagere energiebehoefte en soms lagere micronutriëntenbehoefte. Voor deze groepen hebben we een vertaalslag gemaakt van de kwantitatieve Richtlijnen goede voeding op basis van de energiebehoefte. Dit is gedaan door de energiebehoefte van een volwassen vrouw te vergelijken met de gemiddelde energiebehoefte van de betreffende kindergroepen, zie tabel 1.
Deze verhouding is vervolgens toegepast op de randvoorwaarden gebaseerd op Richtlijnen goede voeding. Voor fruit is bijvoorbeeld een randvoorwaarde van minimaal 200 gram aangehouden voor kinderen vanaf 10 jaar. Voor 1-3 jarige kinderen is dit minimaal 100 gram geweest, gebaseerd op onderstaand percentage, en voor 4-9 jarige kinderen is dit minimaal 150 gram geweest.
Tabel 1. Verhouding energie kinderen ten opzichte
van energie volwassen vrouw
| Leeftijdsgroepen |
Gemiddelde
energiebehoefte [6]
|
Percentage
(afgerond) t.o.v. energiebehoefte volwassen vrouw
|
| 1-3 jaar jongens en meiden |
985 |
50% |
| 4-9 jaar jongens en meiden |
1.423 |
75% |
| 10-12 jaar jongens en meiden |
2.012 |
>100% |
| 13-17 jaar jongens |
2.690 |
>100% |
| 13-17 jaar meiden |
2.228 |
>100% |
| 18-50 jaar vrouwen |
1.937 |
100% |
Er zijn een aantal redenen waarom er voor een energiegedreven vertaalslag gekozen is:
- Binnen de optimalisatie streven we ernaar om de voedingsnormen te behalen zoals vastgesteld door de Gezondheidsraad, waarbij de totale voeding onder andere voldoende energie moet leveren.
- Daarbij is voor ons een belangrijk argument dat het ‘bordje’ van een kind qua verhoudingen gelijk is aan het ‘bord’ van een volwassenen. In het kader van jong geleerd is oud gedaan, maar ook praktisch gezien wanneer je voor een gezin inkoopt en kookt.
- Ook vullen we de energiebehoefte bij voorkeur zoveel mogelijk in met voedingsmiddelen die gunstig zijn voor de gezondheid. Vandaar dat we voor de leeftijdsgroepen met een gelijke of hogere energiebehoefte dan een volwassen vrouw de kwantitatieve hoeveelheden uit de Richtlijnen goede voeding overgenomen hebben.
Haalbaarheid voor de consument
Wanneer de Richtlijnen goede voeding geen maximum aangeeft voor een specifieke productgroep is ervoor gekozen om het 95e percentiel van de huidige consumptie als maximum mee te nemen. Dit wil zeggen dat 5% van de deelnemers aan de Voedselconsumptiepeiling deze hoeveelheid of meer consumeert.[5]
Hierbij is er op level 4 (het meest gedetailleerde level voor de productgroepen) alleen gekeken naar de groep die het betreffende voedingsmiddel ook daadwerkelijk consumeert, om te voorkomen dat gebruikers die er niets van consumeren het 95e percentiel naar beneden halen. Op level 1 (het minst gedetailleerde level voor de productgroepen) zijn deze zogenoemde nul-gebruikers wel meegenomen.
Daarnaast zijn er randvoorwaarden gesteld voor de totale hoeveelheid aan vaste en vloeibare producten. Met deze uitgangspunten willen we voorkomen dat het optimalisatiemodel komt met onhaalbare hoeveelheden.
Er zijn 2 uitzonderingen gemaakt:
- Het minimumadvies van 250 gram peulvruchten per week is voor de meeste consumenten hoog. Het 95e percentiel op peulvruchten ligt voor veel doelgroepen lager dan 250 gram per week. Dit is dus geen bruikbare waarde om als maximum in te stellen. De Richtlijnen goede voeding omschrijven dat onderzoek gunstige effecten op het risico op chronische ziekten laat zien bij een hoeveelheid peulvruchten van 250 tot 300 gram per week. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat een hogere inname meer gezondheidswinst zou opleveren.[2] Vandaar dat voor peulvruchten is gekozen om een maximum van 300 gram per week aan te houden. Er lijkt geen bezwaar tegen een hogere consumptie van peulvruchten.[2] Mensen die geen vlees eten zijn waarschijnlijk meer gewend aan het eten van peulvruchten. Voor de meer plantaardige eetvoorkeuren hebben we daarom een ander maximum op peulvruchten gehanteerd, namelijk 130 gram per dag (910 gram per week). Dit is gebaseerd op de inname die in het achtergronddocument peulvruchten bij de Richtlijnen goede voeding 2015 genoemd wordt, waarbij gunstige effecten gezien werden op LDL-cholesterol.[7]
- Voor plantaardige zuivelalternatieven hebben we de P95 overgenomen van dierlijk zuivel. De P95 van plantaardig zuivel is laag en gebaseerd op een kleine groep gebruikers. Door de P95 van dierlijk zuivel toe te passen ontstaat er ruimte voor het model om naast dierlijk ook plantaardig zuivel mee te nemen.
Randvoorwaarden voor voedingsstoffen en energie
Er zijn minimale en/of maximale hoeveelheden van energie en voedingstoffen opgesteld voor:
- Het halen van voedingsnormen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de voedingsnormen van de Gezondheidsraad.[8-16] Uitgangspunt is dat de referentievoedingen voorzien in de aanbevolen hoeveelheden voedingstoffen.
- Het voorkomen van een onwenselijke hoge inname van specifieke voedingstoffen.[17, 18]
- Het voorzien in de energiebehoefte. Er is uitgegaan van een energiebehoefte die past bij een licht actieve leefstijl (zie verder bij energie).[6]
Voedingsnormen
Voor macronutriënten en energie is in het geval van verschillende aanbevelingen voor leeftijden binnen de betreffende leeftijdsrange het gemiddelde voor de doelgroep genomen. [6, 8-11, 19] Voor micronutriënten is als minimum de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) of adequate inname (AI) zoals beschreven in de voedingsnormen van de Gezondheidsraad genomen. [12-16] Als maximum is de aanvaardbare bovengrens gebaseerd op EFSA meegenomen.[18] Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
- Wanneer er binnen een leeftijdsgroep verschillende ADH/AI-niveaus gelden, is voor de hoogste waarde gekozen. Op deze manier krijgt iedereen binnen de betreffende leeftijdsgroep voldoende micronutriënten binnen.
- Wanneer er binnen een leeftijdsgroep verschillende aanvaardbare bovengrenzen gelden, is de laagste waarde als maximum randvoorwaarde meegenomen. Zo is het voor iedereen in die betreffende leeftijdsgroep veilig.
Alleen sterk onderbouwde normen zijn meegenomen. De zwak onderbouwde normen hebben door hun zwakke onderbouwing geen toepassing in de voedingsvoorlichting.[13] Deze zijn daarom ook niet meegenomen als randvoorwaarde (bijv. vitamine E, fosfor). De voorziening van de referentievoedingen in deze micronutriënten is wel berekend.
Er is uitgegaan van de ADH/AI en niet van de gemiddelde behoefte. Reden hiervoor: wij willen dat het met onze adviezen mogelijk is dat iedereen voldoende voedingstoffen binnenkrijgt. De consument wil niet weten hoe Nederland moet eten, maar wil weten hoe hij/zij persoonlijk moet eten. Als met de gemiddelde behoefte wordt gerekend betekent dit dat de referentievoedingen voor 50% van de Nederlanders niet de toereikende hoeveelheid voedingstoffen levert.
Bekijk de gebruikte normen voor microvoedingstoffen:
Vitamines mineralen en spoorelementen (pdf).
sluiten
Energie
De energiebehoefte hangt voor een groot deel af van de lichamelijke activiteit. De mate van lichamelijke activiteit wordt de PAL-waarde genoemd. PAL staat voor 'Physical Activity Level', in het Nederlands 'niveau van lichamelijke activiteit'.
Om je totale energieverbruik per dag te berekenen moet je de PAL-waarde vermenigvuldigen met de basaalstofwisseling. De basaalstofwisseling is het energieverbruik van personen in rust. Voor mensen die licht actief zijn geldt een PAL-waarde van 1,4. Voor mensen die matig actief zijn is dit 1,6. Voor mensen die actief zijn is dit 1,8. Voor mensen die zeer actief zijn is dit 2,0.
Er is uitgegaan van een energiebehoefte die past bij de laagst afgeleide PAL-waarde zoals gerapporteerd door de Gezondheidsraad. Voor het grootste deel van de doelgroepen is dit een PAL van 1,4. Voor de leeftijdsgroepen 10 tot en met 17 jaar is dit een PAL van 1,6. [6]
De redenen hiervoor zijn:
- Het is niet bekend wat de gemiddelde PAL-waarde in Nederland is. Het is wel bekend dat een deel van de bevolking niet voldoet en een deel wel voldoet aan de Beweegrichtlijnen.[20] Bij een PAL van 1,4 kan je wel of niet aan de beweegrichtlijn voldoen. Dit inactieve niveau van bewegen weerspiegelt naar ons idee dus de Nederlandse situatie het beste.
- Preventie van overgewicht: het is ongewenst om een referentievoeding te adviseren die te hoog in energie is. Vandaar dat we ervoor gekozen hebben om een referentievoeding op te stellen op basis van de laagst afgeleide PAL-waarde en handelingsperspectief mee te geven aan consumenten die een hogere energiebehoefte hebben.
- Dit is de referentievoeding waarbij je het lastigst aan de randvoorwaarde kan voldoen wat betreft gezond; je hebt namelijk de minste ruimte om aan je nutriënten te komen. Voor veilig en duurzaam is uitgaan van een lage energiebehoefte wel makkelijker dan bij een hogere energiebehoefte.
In de expertconsultatie van 4-2-2025 is deze keuze voorgelegd en de experts waren het er unaniem mee eens om de laagst afgeleide PAL-waarde als uitgangspunt te nemen, met daarbij een extra doorrekening voor een hogere PAL-waarde (publicatie volgt later in 2026). Voor duurzaamheid en voedselveiligheid krijgen we dan ook meer duidelijkheid over de consequenties bij een hogere energiebehoefte.
Voor energie is in het geval van verschillende aanbevelingen voor leeftijden binnen de betreffende leeftijdsrange het gemiddelde voor de doelgroep genomen.
sluiten
Eiwit
Voor het berekenen van de randvoorwaarden voor eiwit is het referentiegewicht aangehouden zoals gebruikt in de voedingsnormen voor eiwit. Als maximum voor eiwit is voor volwassenen 2 keer de ADH meegenomen. Hoewel er geen aanvaardbare bovengrens geldt, weten we dat een inname van 2 keer de ADH als veilig wordt beschouwd door EFSA. [10] Of dit ook voor kinderen geldt is niet duidelijk. Om te voorkomen dat de hoeveelheid eiwit te hoog zou worden, is ervoor gekozen om als maximum voor de kindergroepen de mediaan van de huidige consumptie aan te houden.
sluiten
Vrije suikers
Voor vrije suikers is het maximum gebaseerd op de WHO-aanbeveling.[21]
sluiten
Water
Ongeveer 20-30% van het water dat je nodig hebt komt uit eten. De andere 70%-80% krijg je binnen via drinken zoals water, koffie, thee en melk. Er is een minimum randvoorwaarde gezet op het nutriënt water gebaseerd op EFSA.[19] Dit gaat dus om water in dranken en vaste voedingsmiddelen.
sluiten
Vitamine D
De voedingsnorm voor vitamine D gaat over de totale behoefte aan vitamine D. Een deel van deze behoefte wordt ingevuld via aanmaak in de huid onder invloed van zonlicht. En een deel komt uit de voeding. De Gezondheidsraad geeft aan dat iemand met een lichte huidskleur die regelmatig in de zon komt, gemiddeld over het hele jaar ongeveer 2/3 van de vitamine D uit zonlicht haalt en 1/3 uit voeding.[12]
Voor de randvoorwaarde gesteld op vitamine D hebben wij de norm daarom vermenigvuldigd met 1/3. Voor de 1-3 jarige kinderen is geen minimum hoeveelheid opgenomen in de randvoorwaarden, omdat voor deze groep een suppletieadvies geldt.
sluiten
Producten die in de Schijf van Vijf staan
Het Voedingscentrum adviseert over het gebruik van voedingsmiddelen die wel én niet in de Schijf van Vijf staan. Uit berekeningen van het RIVM blijkt dat consumenten een relatief klein deel van hun energie halen uit Voedingsmiddelen die inde Schijf van Vijf staan. Op basis van de recentste VCP (2019-2021) blijkt dat ongeveer 37% van de energie wordt geleverd door Schijf van Vijf-producten.[22]
De rest wordt door producten die niet in de Schijf van Vijf staan geleverd. Voor de referentievoedingen is net als in 2016 ervan uitgegaan dat ongeveer 85% van de energie wordt geleverd door Schijf van Vijf-producten.[23]
Naast de Schijf van Vijf
Ongeveer 15% van de energie kan worden geleverd door producten die niet in de Schijf van Vijf staan. Anders dan in 2016 is ervoor gekozen dat deze producten ook bijdragen aan de voorziening in voedingstoffen door de referentievoedingen. We hebben hiervoor gekozen omdat in 2026 ook randvoorwaarden voor duurzaam en veilig zijn opgenomen, en hier met maximumwaarden voor het hele voedingspatroon wordt gewerkt. Producten naast de Schijf van Vijf hebben immers ook impact op het milieu en bevatten ook contaminanten. De totale voeding moet voldoen aan de randvoorwaarden die hiervoor zijn gesteld.
Een verschuiving naar een voedingspatroon waarbij een kleiner deel dan nu uit producten naast de Schijf van Vijf bestaat levert voordelen voor de gezondheid op. Dit wordt bereikt door een:
- Lagere consumptie van minder gezonde alternatieven van de Schijf van Vijf-productgroepen. Denk aan witbrood of roomboter.
- Lagere consumptie van voedingsmiddelen die veel calorieën leveren en/of veel voedingsstoffen bevatten met een ongunstig effect op de gezondheid. Denk aan frisdrank, koek, snoep en hartige snacks.
Zie onze verdere toelichting op de indeling in productgroepen en de plaatsing in of naast de Schijf van Vijf.
In de modelberekeningen voor de referentievoedingen kon het model maximaal 15 procent van de energie kiezen uit de producten die niet in de Schijf van Vijf staan. Deze 15 energieprocent is gebaseerd op de huidige ruimte die consumenten hebben.[23] Deze randvoorwaarde van maximaal 15 energieprocent heeft alleen betrekking op deze Schijf van Vijf-groepen die geheel niet in de Schijf van Vijf staan: alcoholvrije dranken naast de Schijf van Vijf, broodbeleg, soepen, sauzen, hartige snacks en zoete snacks. Er zijn verschillende redenen waarom de producten die een alternatief hebben in de Schijf van Vijf (zoals witbrood, vanillevla) niet binnen deze randvoorwaarde van 15 energieprocent vallen:
- We adviseren mensen op te schuiven naar de Schijf van Vijf. Voor deze producten is er een goed alternatief in de Schijf van Vijf. Bijvoorbeeld volkorenbrood in plaats van witbrood en halfvolle melk in plaats van gezoete zuiveldrank).
- Deze producten worden veelal niet als ‘extraatje’ gegeten boven op de producten die al gegeten worden. Denk aan een bord witte pasta, dit eet je niet als extra eten naast je bord volkorenpasta.
- Als het past binnen de totale voeding kan iemand die vanuit milieuoverwegingen kiest om het hele dier te eten of geen melkvet wil verspillen voor een variant die meer verzadigd vet bevat, zoals volle melk of vette vleessoorten.
De 15 energieprocent naast de Schijf van Vijf is dus modelmatig gebruikt voor smaakmakers en extraatjes. Echter er zijn geen veranderingen in de adviezen voor consumenten, zoals die bijvoorbeeld worden gegeven in Mijn Eetmeter en Staat dit in de Schijf?-tool. Als iemand een bord witte pasta kiest, is dit een weekkeuze in de Staat dit in de Schijf?-tool en telt dit in Mijn Eetmeter mee bij de energieprocenten die iemand naast de Schijf van Vijf eet.
Voor doelgroepen met een lagere energiebehoefte zou er vrijwel geen ruimte zijn om keuzes naast de Schijf van Vijf te maken bij de randvoorwaarde van maximaal 15 energieprocent. Dit is echter niet wenselijk in het kader van haalbaarheid. Dus hebben we een werkwijze gekozen waarbij voor alle groepen ruimte is om producten naast de Schijf van Vijf te kiezen.
Naast de Schijf van Vijf staan veel voedingsmiddelen die uiteenlopen in samenstelling en voedingswaarde. Hiervoor zijn in 2016 criteria ontwikkeld voor dag- en weekkeuzes. Zie de uitleg bij productgroepen en criteria. Passend bij het advies dat er ruimte is voor 3-5 keer per dag wat kleins en 3 keer per week iets groters, is er gerekend met een minimum van 3x75 kcal = 225 kcal voor de doelgroepen waarbij we 3-5 dagkeuzes als maximum aanraden. Er is ruim keuze in dagkeuzes kleiner dan 75 kcal per portie. Op deze manier is er indirect ook ruimte voor meer dan 3 dagkeuzes (tot maximaal 5) en weekkeuzes ingebouwd. Voor de 1-3 jarige kinderen is gerekend met minimaal 75 kcal uit producten naast de Schijf en voor 4-9 jarigen kinderen is het minimum 150 kcal.
Dranken hebben een lagere milieu-impact en bevatten minder contaminanten dan sommige andere productgroepen. Maar we willen niet adviseren dat je beter kan drinken naast de Schijf van Vijf dan eten. Om te voorkomen dat er voor de opvulling van de ruimte naast de Schijf alleen gekozen wordt voor dranken, is besloten om de ratio dranken-vast voedsel zoals nu geconsumeerd in de VCP als randvoorwaarde mee te nemen.[5]
Bronnen gezondheid
- Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2015 (2015/24) 2015.
- Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding: eiwitbronnen en voedingspatronen 2025 (2025/19) 2025.
- Gezondheidsraad. Voedingsaanbevelingen voor zwangere vrouwen (2021/26) 2021.
- Portie-Online. [geraadpleegd op 31-3-2026]
- Sanderman-Nawijn E, Brants, H.A.M., Dinissen, C.S., Ocké, M.C., Van Rossum, C.T.M. . Energy and nutrient intake in the Netherlands. Results of the Dutch National Food Consumption Survey 2019-2021 2024.
- Gezondheidsraad. Voedingsnormen voor energie. Referentiewaarden voor de dagelijkse calorische inname (2022/19) 2022.
- Gezondheidsraad. Peulvruchten. Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015. (A15/18) 2015.
- Gezondheidsraad. Voedingsnormen. Energie, eiwitten, vetten en verteerbare koolhydraten (2001/19R) 2001.
- Gezondheidsraad. Richtlijn voor de vezelconsumptie (2006/03) 2006.
- Gezondheidsraad. Voedingsnormen voor eiwitten. Referentiewaarden voor de inname van eiwitten (2021/10) 2021.
- EFSA. Scientific Opinion on Dietary Reference Values for fats, including saturated fatty acids, polyunsaturated fatty acids, monounsaturated fatty acids, trans fatty acids, and cholesterol.EFSA Journal, 2010. 8 (3).
- Gezondheidsraad. Evaluatie van de voedingsnormen voor vitamine D (2012/5) 2012.
- Gezondheidsraad. Voedingsnormen voor vitamines en mineralen voor volwassenen (2018/19) 2018.
- Gezondheidsraad. Voedingsnormen voor vitamines en mineralen voor zuigelingen en kinderen (2025/06) 2025.
- Gezondheidsraad. Voedingsnormen voor vitamines en mineralen voor zwangere vrouwen. Referentiewaarden voor de inname van vitmaines en mineralen voor zwangere vrouwen (2021/27) 2021.
- Gezondheidsraad. Voedingsnormen voor vitamines en mineralen voor lacterende vrouwen (2024/16) 2024.
- EFSA. Overview on tolerable upper intake levels as derived by the Scientific Committee on Food (SCF) and the EFSA Panel of Dietetic Products, Nutrition and Allergies (NDA) 2025.
- Gezondheidsraad. Advies aanvaardbare bovengrenzen voor vitamines en mineralen (2023/04) 2023
- EFSA. Scientific Opinion on Dietary Reference Values for water. EFSA Journal, 2010. 8 (3).
- VZinfo.nl Bewegen|Regionaal|Volwassenen. [geraadpleegd op 31-3-2026]
- WHO Guideline: Sugars intake for adults and children 2015.
- RIVM. Schijf van Vijf. [geraadpleegd op 31-3-2026]
- Brink E, et al. Development of healthy and sustainable food-based dietary guidelines for the Netherlands.Public Health Nutr, 2019. 22 (13): p. 2419-2435.